Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003
Alinea 79 Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF1906.
4.5 Ik meen dat uit de passages uit de wetsgeschiedenis moet worden afgeleid dat de wetgever het ondernemingsbegrip uit art. 14 Wet Vpb. 1969 materieel heeft willen invullen. Ik realiseer me dat de aanwijzingen niet in overvloed voorhanden zijn, maar met name de bewoordingen in de toelichting op het amendement op het oorspronkelijke wetsartikel duiden op een materieel ondernemingsbegrip. In deze toelichting wordt verwezen naar het fusiebegrip van art. 40 Wet IB 1964. Voor een uitgebreid overzicht van de wetsgeschiedenis van deze bepaling verwijs ik naar de conclusie van A-G van Soest voor de zaak met rolnummer 28 334, opgenomen in BNB 1994/32. Uit de aldaar aangehaalde wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever het voor de toepassing van art. 40 Wet IB 1964 relevante ondernemingsbegrip in materiële zin opvatte. De Hoge Raad heeft deze materiële opvatting bevestigd in HR 19 maart 1975, BNB 1976/13.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/568a609f505c2cd3dee5991d9944377c56e4a8f71f11913e37c823963486040d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 568a609f505c2cd3dee5991d9944377c56e4a8f71f11913e37c823963486040d, en de alinea staat in dat document op bytes 42777 tot 43700.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/568a609f505c2cd3dee5991d9944377c56e4a8f71f11913e37c823963486040d | shasum -a 256