Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003

Alinea 83 Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF1906.

4.7 Aan art. 2, vijfde lid, Wet Vpb. 1969 komt voor de toepassing van art. 14 Wet Vpb. 1969 een beperkte betekenis toe. Het ondernemingsbegrip van art. 14 Wet Vpb. 1969 zou in een tegenovergestelde gedachtegang (al dan niet gedeeltelijk) zinledig worden. Dat de bedoelde fictie niet onverkort doorwerkt naar de bepalingen betreffende het heffingsobject, blijkt ook uit de rechtspraak van de Hoge Raad over het oude art. 20, vijfde lid, Wet Vpb. 1969, waarin is uitgemaakt dat dit ondernemingsbegrip in materiële zin diende te worden opgevat (m.n. HR 9 november 1994, BNB 1995/20).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/568a609f505c2cd3dee5991d9944377c56e4a8f71f11913e37c823963486040d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 568a609f505c2cd3dee5991d9944377c56e4a8f71f11913e37c823963486040d, en de alinea staat in dat document op bytes 46627 tot 47221.