Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003
Alinea 89 Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF1906.
"In (...) [de literatuur; ThG] is gesteld dat art. 2, lid 5 Wet Vpb 1969 aldus moet worden uitgelegd dat altijd een onderneming wordt gedreven waarbij het gehele vermogen ondernemingsvermogen vormt. (...) Als tweede visie is verdedigd dat niet altijd sprake is van een onderneming, maar wel altijd van ondernemingsvermogen. Ter onderbouwing van deze zienswijze wordt gewezen op het tekstuele verschil met art. 2, lid 2 Wet Vpb. 1969 dat het fonds voor gemene rekening tot subjectief belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting aanwijst. In tegenstelling tot arr. 2, lid 5 Wet Vpb 1969 is daar expliciet aangegeven dat het fonds voor gemene rekening als een onderneming wordt aangemerkt. Daaruit wordt afgeleid dat art. 2, lid 5 Wet Vpb 1969 het gehele vermogen als ondernemingsvermogen kwalificeert, maar niet aangeeft dat nv's en bv's altijd een onderneming drijven (...) Uit de tekst van art. 2, lid 5 Wet Vpb 1969 kan naar mijn mening niet duidelijk worden afgeleid dat nv's/bv's etc. geacht worden altijd een materiële onderneming te drijven. Men zou art. 2, lid 5 Wet Vpb 1969 zo kunnen lezen dat daarin wordt bepaald dat indien een vennootschap een onderneming heeft het gehele vermogen ondernemingsvermogen vormt. A contrario geredeneerd zou dan geen sprake zijn van bedrijfsvermogen als de vennootschap geen onderneming heeft. De bedoeling van de bepaling is mijns inziens evenwel dat ook dan tot het bestaan van bedrijfsvermogen wordt geconcludeerd. (...) Ook tegen de achtergrond van het systeem van de vennootschapsbelasting is het niet noodzakelijk dat vennootschappen altijd een onderneming drijven. Ontkenning van het feit dat nv's en bv's altijd een onderneming drijven, hoeft immers niet tot het gevolg te leiden dat beleggings-bv's niet in de vennootschapsbelasting kunnen worden belast. (...) Art. 2, lid 5 Wet Vpb 1969 is een vermogensetiketteringsbepaling en bevat geen kwalificatie van de onderneming van rechtspersonen. Ze heeft tot doel om op het gehele vermogen van de lichamen vermeld in art. 2, lid 1 onderdeel a t/m c de bepalingen van de winst uit onderneming van toepassing te doen zijn. In de jurisprudentie is volgens mij tot op heden evenmin beslist dat deze lichamen altijd een onderneming drijven. De conclusie dat de Hoge Raad zulks in 1981(31) zou hebben beslist, onderschrijf ik dan ook niet (...) Het arrest geeft slechts aan dat het de bedoeling van art. 2, lid 5 Wet Vpb 1969 is dat beleggingsresultaten en winst uit onderneming gelijk worden belast opdat etiketteringsproblemen worden vermeden. Daaruit kan alleen worden afgeleid dat art. 2, lid 5 Wet Vpb 1969 als een vermogensetiketteringsbepaling moet worden gekwalificeerd."(32)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/568a609f505c2cd3dee5991d9944377c56e4a8f71f11913e37c823963486040d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 568a609f505c2cd3dee5991d9944377c56e4a8f71f11913e37c823963486040d, en de alinea staat in dat document op bytes 49458 tot 52151.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/568a609f505c2cd3dee5991d9944377c56e4a8f71f11913e37c823963486040d | shasum -a 256