Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003
Alinea 91 Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF1906.
4.10 Ik wijs ook op de jurisprudentie inzake de "gelijkgestelde deelneming" ex art. 13, derde lid, slotzin, Wet Vpb. 1969. Voor het antwoord op de vraag of een aandelenbezit in de lijn van de normale uitoefening van de onderneming van de belastingplichtige ligt, is beslissend of het aandelenbezit al dan niet ter belegging wordt aangehouden. Weliswaar eist de Hoge Raad niet dat de belastingplichtige een onderneming in materiële zin drijft, maar met een louter formele invulling van het bedoelde ondernemingsbegrip kan evenmin worden volstaan (HR 14 maart 2001, BNB 2001/210). Dat de Hoge Raad het ondernemingsbegrip van art. 13, derde lid, slotzin, Wet Vpb. 1969 overigens niet materieel heeft ingevuld, komt mij juist voor, gelet op de context van deze bepaling in de sfeer van de deelnemingsvrijstelling. Ik verwijs in dit verband volledigheidshalve naar de conclusie van A-G Van Kalmthout voor HR 14 maart 2001, BNB 2001/210.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/568a609f505c2cd3dee5991d9944377c56e4a8f71f11913e37c823963486040d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 568a609f505c2cd3dee5991d9944377c56e4a8f71f11913e37c823963486040d, en de alinea staat in dat document op bytes 53629 tot 54574.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/568a609f505c2cd3dee5991d9944377c56e4a8f71f11913e37c823963486040d | shasum -a 256