Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2003

Alinea 20 Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF1909.

8. Indien een opgeëiste persoon met de Nederlandse nationaliteit meent dat zijn teruglevering na veroordeling in gevaar komt, zal hij zich met dat bezwaar tot de Minister moeten richten. Zo hij vervolgens meent dat de Minister in redelijkheid niet heeft kunnen oordelen dat de tenuitvoerlegging in Nederland voldoende is gewaarborgd, zal hij tegen diens beslissing een kort geding kunnen aanspannen, vgl HR NJ 1996, 382. Ingrijpen door de rechter zal pas aan de orde kunnen komen indien wordt betoogd dat de Minister geen rechtmatig gebruik heeft gemaakt van de hem voorbehouden bevoegdheden. Diens beslissing zal daarom moeten worden afgewacht. De rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering heeft te oordelen mag, zelfs indien waarschijnlijk is dat de Minister zal moeten vaststellen dat de tenuitvoerlegging in Nederland van de in het buitenland op te leggen straf op een wettelijke verhindering zal stuiten, op die aan de Minister voorbehouden beslissing niet vooruitlopen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8c354e39da3287ee98ccc156c2e9bbe20a519909fb3b2b709ef4d14640e99147. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8c354e39da3287ee98ccc156c2e9bbe20a519909fb3b2b709ef4d14640e99147, en de alinea staat in dat document op bytes 9234 tot 10236.