Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 mei 2003

Alinea 101 Parket bij de Hoge Raad 6 mei 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF1924.

44. Men kan daar tegenover stellen dat uit de wettelijke omschrijving van 'voorwetenschap' niet volgt dat er wetenschap, of in ieder geval een ernstig vermoeden, moet hebben bestaan aangaande de wijze waarop of de redenen waarom een 'bijzonderheid' koersgevoelig zal zijn. De koersgevoeligheid van de bijzonderheid - de geschiktheid om de koers te beïnvloeden - moet vastgesteld kunnen worden, maar zij vormt een geobjectiveerde omstandigheid. De wetgever heeft nadrukkelijk voor ogen gehad dat niet bewezen behoeft te worden dat er een causaal verband is tussen de voorwetenschap en het aangaan van de transactie, en dat evenmin bewezen behoeft te worden dat degene die de transactie bewerkstelligde zich in enige mate bewust was of moest zijn van het koersgevoelige karakter van de hem bekende bijzonderheid, vgl (met betrekking tot art. 336a Sr (OUD), de voorloper van het hier toepasselijke art. 31a Wte), HR NJ 1995, 662. Bewezen behoeft slechts te worden dat de verdachte wist, of ernstige reden had om te vermoeden, dat de 'bijzonderheid' waarvan hij op de hoogte was geraakt niet zonder schending van een geheimhoudingsplicht naar buiten had kunnen of mogen komen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6dd93ef8212b671c48d945b30de1b1049a78a503b43561e4cfca2ddfa26382c8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6dd93ef8212b671c48d945b30de1b1049a78a503b43561e4cfca2ddfa26382c8, en de alinea staat in dat document op bytes 43783 tot 44969.