Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2003
Alinea 23 Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF2159.
5. Bij de bespreking van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Art. 5:95 BW bepaalt, zoals gezegd, dat tot het instellen van rechtsvorderingen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak die zowel het recht van de eigenaar als dat van de erfpachter betreft, ieder van hen bevoegd is "mits hij zorg draagt dat de ander tijdig in het geding wordt geroepen". Art. 3:218 (vruchtgebruik), 3:245 (pand), art. 5:81 (erfdienstbaarheid) bevatten soortgelijke regelingen. In de wetsgeschiedenis wordt de regeling met name toegelicht onder art. 3:218 en art. 5:81 (art. 5.6.8ba), naar welke toelichtingen bij de overige bepalingen wordt verwezen. Zie TM en MvA II bij art. 3:218 (art. 3.8.17), Parl. Gesch. Boek 3, p. 671 en 672 resp. MvA I Inv. bij art. 5:81, Parl. Gesch. Inv. Boek 5, p. 1052-1053):
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a95056b171a5705ea016f392902c5cdc876d66698b298c92358286b204b0e8b8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a95056b171a5705ea016f392902c5cdc876d66698b298c92358286b204b0e8b8, en de alinea staat in dat document op bytes 11604 tot 12423.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a95056b171a5705ea016f392902c5cdc876d66698b298c92358286b204b0e8b8 | shasum -a 256