Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2003
Alinea 34 Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF2159.
8. Op grond van het voorgaande, kom ik tot de slotsom dat het middel moet falen met zijn betoog dat van een tijdige oproeping als voorgeschreven door art. 5:95 BW geen sprake kan zijn ingeval de oproeping pas plaatsvindt in hoger beroep. Het betoog dat het Hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat in casu sprake was van een misverstand ziet eraan voorbij dat het het Hof vrijstond de Gemeente en Woningbeheer in de gelegenheid te stellen de erfpachter alsnog in het geding te roepen. De klacht dat de rechter niet ambtshalve bevoegd is tot oproeping ziet eraan voorbij dat het Hof de Gemeente en Woningbeheer in de gelegenheid heeft gesteld over te gaan tot oproeping. Het Hof was daartoe ook bevoegd; zie de hiervoor onder 5 aangehaalde passage uit de MvA I Inv. bij art. 5:81 (Parl. Gesch. Boek 5, p. 1052-1053).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a95056b171a5705ea016f392902c5cdc876d66698b298c92358286b204b0e8b8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a95056b171a5705ea016f392902c5cdc876d66698b298c92358286b204b0e8b8, en de alinea staat in dat document op bytes 23925 tot 24752.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a95056b171a5705ea016f392902c5cdc876d66698b298c92358286b204b0e8b8 | shasum -a 256