Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2003
Alinea 56 Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF2292.
De opvatting van Van Maanen is niet in de vorm van een cassatiemiddel aan de Hoge Raad voorgelegd (dat kon ook niet, omdat zij in 2002 is gepubliceerd en de cassatiedagvaarding in 2001 is uitgebracht). De theorie over de voorwaardelijke bevoegdheid is hoofdzakelijk geworteld in de civiele rechtspraak over degene die op grond van een beweerdelijke schuldvordering een conservatoir beslag laat leggen op goederen van de schuldenaar. Wanneer achteraf blijkt dat het gepretendeerde vorderingsrecht niet bestond is de beslaglegger op grond van onrechtmatige daad in beginsel schadeplichtig jegens degene ten laste van wie het beslag werd gelegd(19). Moet de Hoge Raad zich nu bij de afdoening van het middel laten leiden door deze theorie van de voorwaardelijke bevoegdheid? Dit is niet de gelegenheid om uitgebreid op de opvatting van Van Maanen in te gaan, maar ik wil in het algemeen wel opmerken dat de theorie van de voorwaardelijke bevoegdheid gemakkelijker te aanvaarden is bij een particulier die beslag legt dan bij de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden door een daartoe bevoegd orgaan van de overheid. De strafrechtelijke rechtshandhaving berust op meer dan alleen de pretentie dat de overheid een vordering op de verdachte heeft. Vanuit de optiek van een optimale rechtsbescherming van de burger tegen de overheid - hetgeen één van de in aanmerking komende gezichtspunten is -, is het inderdaad aantrekkelijk om te pleiten voor een risico-aansprakelijkheid van de Staat voor alle nadelige gevolgen van strafvorderlijke maatregelen die niet resulteren in een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling van degene tegen wie de maatregel werd getroffen. Maar er zijn ook andere gezichtspunten(20). Ik noem er twee, die mij dwars zitten. In de eerste plaats is een praktisch probleem dat de telastelegging in de strafzaak niet betrekking behoeft te hebben op de verdenking waarop de strafvorderlijke maatregel is gebaseerd(21). In de tweede plaats doet de rechter er verstandig aan, geen risico-aansprakelijkheid aan te nemen voordat de effecten daarvan behoorlijk zijn onderzocht. Bij een productaansprakelijkheid is het rechtseconomische argument duidelijk: wanneer de producent de veiligheid van zijn product niet kan garanderen, vormt een risico-aansprakelijkheid een nuttige prikkel om het product niet op de markt te brengen. Het toepassen van strafvorderlijke dwangmiddelen door de overheid kan niet gelijk worden gesteld met het op de markt brengen van een product. Indien, bijvoorbeeld, door onvoldoende beschikbaarstelling van financiële middelen om aan alle gewezen verdachten volledige schadevergoeding toe te kennen, het effect van de door Van Maanen bepleite risicoaansprakelijkheid zou zijn dat politie en justitie strafvorderlijke dwangmiddelen achterwege laten waar deze geboden zijn of, erger nog, uit vrees voor hoge schadeclaims rijke verdachten minder snel durven aan te pakken dan arme verdachten, zijn de zwakkeren in de samenleving nog veel verder van huis. Dit verdient uiteraard nadere bestudering. Ik vermeld het slechts teneinde hiermee duidelijk te maken dat de theorie van de voorwaardelijke bevoegdheid niet zó solide gevestigd is, dat de Hoge Raad de onderhavige zaak langs die weg zou moeten afdoen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/160cae478860fdea6d65300ebeca9ea6486d65205d7b2670802dcd9853eef75c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 160cae478860fdea6d65300ebeca9ea6486d65205d7b2670802dcd9853eef75c, en de alinea staat in dat document op bytes 22919 tot 26187.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/160cae478860fdea6d65300ebeca9ea6486d65205d7b2670802dcd9853eef75c | shasum -a 256