Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 maart 2003

Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 18 maart 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 maart 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF2342.

22. Bij de bepaling van het voordeel dient te worden uitgegaan van het voordeel dat verzoeker in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft genoten. Aan dit uitgangspunt kan niet onverkort recht worden gedaan als uit gevoerd financieel onderzoek naar de hoogte van het voordeel feiten naar voren komen die er weliswaar op duiden dat verzoeker voordeel heeft genoten uit de feiten waarvoor hij is veroordeeld, maar de omvang van het voordeel uit dat onderzoek niet eenduidig blijkt. (In § 2.3 van genoemd rapport wordt uit de doeken gedaan dat verzoeker zich bediende van verschillende rechtspersonen, maar dat hij kennelijk bedrijfsadministraties, bankafschriften en vermogensbestanddelen heeft verdonkeremaand.) De wet schrijft dan ook voor dat in zulke gevallen het voordeel wordt geschat en dat de rechter het voordeel op een lager bedrag dan het geschatte voordeel kan vaststellen (art. 36e, vierde lid).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a01ce7f87adf8b1fdfeb8e346b626ae89ab78b46a35e6600f82c7a435f64deaf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a01ce7f87adf8b1fdfeb8e346b626ae89ab78b46a35e6600f82c7a435f64deaf, en de alinea staat in dat document op bytes 18985 tot 19925.