Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2003

Alinea 72 Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF2683.

3.28.1 Namens [verweerder] wordt in de s.t. onder 2.5 nog beroep gedaan op het verraderlijke karakter van de wettelijke termijn. Daargelaten of hij die stelling ook in feitelijke aanleg heeft betrokken, zij kan hem m.i. niet baten. Daaraan doet niet af dat inhoudelijk wel enig begrip voor de stelling valt op te brengen. Het betoog verliest evenwel uit het oog dat de wetgever deze termijn nu eenmaal in het leven heeft geroepen en hem voor het komend recht wil behouden. Reeds art. 11 AB staat er aan in de weg deze bepaling naar de prullenmand der rechtsgeschiedenis te verbannen, zoals [verweerder] in feite voorstaat. Dat geldt in elk geval nu van een maatschappelijk draagvlak daarvoor niet blijkt. Bovendien biedt art. 6:2 BW de mogelijkheid daartoe niet, toegespitst als die bepaling nu eenmaal is op specifieke gevallen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3827bf9e07beaf3dce0833d31e62241aa394ba7756804df7594bdac88948d9f0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3827bf9e07beaf3dce0833d31e62241aa394ba7756804df7594bdac88948d9f0, en de alinea staat in dat document op bytes 26487 tot 27329.