Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 april 2003

Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 4 april 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF2831.

16. In HR 19 juni 1992, NJ 1993, 555 nt. MMM en HR 23 oktober 1992, NJ 1992, 814 overwoog de Hoge Raad dat aan art. 294 K de gedachte ten grondslag ligt dat de verzekeraar bij de beoordeling van het risico dat hij krachtens de te sluiten overeenkomst zal gaan lopen, ervan mag uitgaan dat de verzekerde niet zozeer tekortschiet in zorg ter voorkoming van schade dat sprake is van merkelijke schuld. In zijn bijdrage aan de Cahen-bundel stelt Mijnssen dit uitgangspunt gelijk aan een objectieve benadering van het schuldbegrip in art. 294 K. Zie F.H.J. Mijnssen, Grove schuld of roekeloosheid van een verzekerde, Cahen-bundel, 1997, blz. 209. Anders: J.C. van Eijk-Graveland, Verzekerbaarheid van opzet in het schadeverzekeringsrecht, diss. 1998, blz. 67; Asser-Clausing-Wansink, nr. 262.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b28f290fc1c7e3277209767bccd45ad4ad8ebca546433804a2f080dcff2dd721. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b28f290fc1c7e3277209767bccd45ad4ad8ebca546433804a2f080dcff2dd721, en de alinea staat in dat document op bytes 16338 tot 17138.