Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2003

Alinea 31 Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF2833.

Op de in de eerste zin gestelde vraag geeft art. 225 Rv (art. 255 Rv (oud)) het antwoord: de dood van een procespartij is een schorsingsgrond, met dien verstande dat de schorsing niet van rechtswege intreedt maar plaatsvindt door betekening van de ingeroepen grond voor de schorsing aan de wederpartij dan wel door een daartoe strekkende akte ter rolle (art. 225 lid 2 Rv). De achtergrond daarvan is dat de Erven van de overleden procespartij onverhoeds de zeggenschap krijgen over het procesbeleid, maar wellicht behoefte hebben aan onderzoek naar de stand van de zaak en/of beraad.(6) Het gaat hier dus om een beschermingsbepaling ten behoeve van de Erven, waaruit volgt dat zij daarop naar believen al dan niet beroep kunnen doen.(7) In het onderhavige geval wordt een schorsing blijkbaar niet nagestreefd(8); daarom kan het geding in cassatie verder worden gevoerd mede ten name van [eiser 1], voor wie diens Erven als materiële procespartij in de plaats treden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/af00f660cdca2309bce820d6cfd267fea2da468cf928693cec5b105db74b89cc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt af00f660cdca2309bce820d6cfd267fea2da468cf928693cec5b105db74b89cc, en de alinea staat in dat document op bytes 12478 tot 13459.