Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2003
Alinea 78 Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF2833.
4.5 In dat geval is er echter alle aanleiding de motiveringsklacht gegrond te achten. Want wat het hof in wezen heeft gedaan is met de mond de formulering uit 1994 belijden, maar tegelijk het arrest uit 1956 toepassen. Wellicht is daarvan de achtergrond dat het hof geïrriteerd was door het gemak waarmee directeuren/enig aandeelhouders van BV's, al naar gelang het hen uitkomt, nu eens het gezicht van de BV aan derden tonen en dan weer het eigen gezicht. Hoe dat zij: met de strekking van het Molenschot-arrest uit 1994 (en de verdere onder 3.8 van deze conclusie besproken rechtspraak en de onder 3.6 aangehaalde literauur) strookt het om onder de mogelijkheid van "benadeling of verlies van een hem toekomend recht", c.q. onder het in art. 285 Rv (oud) bedoelde belang, thans mede te begrijpen het geval waarin iemands schuldenaar door een ander ([eiser 1]) wordt aangesproken tot voldoening van de desbetreffende vordering. Dit kan anders zijn onder bijzondere omstandigheden, maar daarover heeft het hof niets vastgesteld.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/af00f660cdca2309bce820d6cfd267fea2da468cf928693cec5b105db74b89cc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt af00f660cdca2309bce820d6cfd267fea2da468cf928693cec5b105db74b89cc, en de alinea staat in dat document op bytes 34207 tot 35249.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/af00f660cdca2309bce820d6cfd267fea2da468cf928693cec5b105db74b89cc | shasum -a 256