Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2003

Alinea 50 Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF2835.

13. In de als vijfde klacht aan te merken passage wordt geklaagd over de laatste volzin van r.o. 4.2.3. In deze overweging ten overvloede doet het hof kort gezegd een beroep op de doorkruisingsleer. Volgens het middel moet, anders dan het hof heeft geoordeeld, het feit dat de wetgever niet heeft voorzien in een verhaalsmogelijkheid voor de kosten van het opsporingsonderzoek, juist als aanwijzing worden gezien dat de wetgever wat dit betreft een rol aan de civiele rechter heeft willen toedelen. Voorts wordt opnieuw gesteld dat het feit dat [verweerder] in strafrechtelijke zin fraude heeft gepleegd en dat om die reden ook justitie bij het onderzoek betrokken is geweest, in redelijkheid niet als gevolg kan hebben dat SFB haar onderzoekskosten voor eigen rekening moet laten komen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b0dbe06f691bda2904ca99417dc1113e6728743bb266bf8721f9cb8790ac0d25. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b0dbe06f691bda2904ca99417dc1113e6728743bb266bf8721f9cb8790ac0d25, en de alinea staat in dat document op bytes 24192 tot 24992.