Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 april 2003

Alinea 29 Parket bij de Hoge Raad 11 april 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF2841.

2.1. Indien het beroep verworpen wordt, zou de Hoge Raad het primaire verweer met betrekking tot de ontvankelijkheid van het cassatieberoep onbesproken kunnen laten. Niettemin ga ik kort erop in. Art. 400 Rv bepaalt dat het cassatieberoep niet openstaat voor hem, die in de uitspraak heeft berust. Mondi heeft in cassatie gesteld dat Hoda in het arrest van het hof heeft berust. Zij wijst daartoe op correspondentie die tussen de raadslieden van partijen is gevoerd en waarin ter sprake kwam welk bedrag Mondi na het arrest per saldo nog aan Hoda zou dienen te voldoen, rekening houdend met de beslissingen in conventie en in reconventie, met de inmiddels vervallen vertragingsrente en met een parallel lopende vordering van een onderneming "Monica". In een brief van 2 juli 2001 heeft de raadsman van Mondi aan de raadsman van Hoda voorgesteld dat Mondi bepaalde bedragen rechtstreeks aan Monica zou voldoen en dat het per saldo door Mondi aan Hoda te betalen bedrag dan gesteld wordt op DM 57.590,24 resp. Hfl. 35.650,16. De brief eindigt als volgt:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/91eb22aa68e1de51ad62d3f3c6af9445e0fbebb0649bc6b986c1e5ae3afc071f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 91eb22aa68e1de51ad62d3f3c6af9445e0fbebb0649bc6b986c1e5ae3afc071f, en de alinea staat in dat document op bytes 11067 tot 12131.