Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 april 2003

Alinea 43 Parket bij de Hoge Raad 11 april 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF2841.

3.5. In dit geval is er geen sprake van een ten onrechte gelegd beslag. Het hof heeft vastgesteld dat Mondi een vordering (van DM 58.178,84 met rente) op Hoda had. Ingevolge het bepaalde in art. 3:276 BW kan een schuldeiser zijn vordering in beginsel op alle goederen van de schuldenaar verhalen. Deze regel geldt ongeacht het bedrag van de vordering. De vraag of sprake is van een onevenredige verhouding tussen het bedrag waarvoor beslag werd gelegd en de omvang van de vordering zoals deze uiteindelijk door het hof werd vastgesteld, moet m.i. worden beantwoord aan de hand van de regels voor misbruik van bevoegdheid. Art. 3:13 lid 2 BW bepaalt dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. In HR 24 november 1995, NJ 1996, 161, heeft de Hoge Raad het volgende criterium gehanteerd:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/91eb22aa68e1de51ad62d3f3c6af9445e0fbebb0649bc6b986c1e5ae3afc071f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 91eb22aa68e1de51ad62d3f3c6af9445e0fbebb0649bc6b986c1e5ae3afc071f, en de alinea staat in dat document op bytes 18498 tot 19623.