Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2003

Alinea 17 Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3086.

8. In HR NJ 2002, 338 is voorts overwogen dat, indien de raadsman die niet ingevolge art. 279 Sv heeft verklaard tot het voeren van de verdediging uitdrukkelijk gemachtigd te zijn wordt toegestaan méér aan te voeren dan hetgeen betrekking heeft op de afwezigheid van de verdachte en het aanhouden van de behandeling teneinde de verdachte alsnog in staat te stellen aanwezig te zijn of de raadsman in staat te stellen een machtiging te verkrijgen, zulks geschiedt in strijd met het wettelijk systeem. De Hoge Raad liet een cassatiemiddel betreffende de verwerping van een beroep op onrechtmatige bewijsgaring buiten bespreking omdat dit verweer geen betrekking heeft op de zo-even bedoelde onderwerpen, en er vanuit gegaan moest worden dat zich niet het uitzonderlijke geval had voorgedaan waarin het, met het oog op het bepaalde in art. 6, eerste lid en derde lid, aanhef en onder c, EVRM, geboden is de raadsman in verdergaande mate de verdediging te laten voeren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ed3cececea5e0390961eb8ef17a29d8ae775c208c3c164da3246cd71d811fcc6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ed3cececea5e0390961eb8ef17a29d8ae775c208c3c164da3246cd71d811fcc6, en de alinea staat in dat document op bytes 8631 tot 9611.