Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2003
Alinea 25 Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3086.
12. Niettemin valt, als gezegd, wel wat af te dingen op de gedachte dat de uitdrukkelijk aan de raadsman gegeven machtiging tot het voeren van de verdediging per definitie zodanige contacten tussen raadsman en cliënt impliceert dat de verdachte geacht kan worden op de hoogte te zijn van (het tijdstip van) de behandeling ter terechtzitting. Bijzondere omstandigheden kunnen die contacten verstoren. Dan komt de raadsman voor het zo-even geschetste dilemma te staan. Dat kan een uitstraling hebben op de beslissingen die de rechter moet nemen betreffende de voortgang van de behandeling. De afweging van belangen die gemaakt moet worden bij het al dan niet aanhouden van de behandeling was al niet makkelijk. Zij wordt, naar mij voorkomt, door de in art. 279 Sv neergelegde regeling nog weer lastiger. Ik kan mij situaties indenken waarbij de rechter het verantwoord acht om ook zonder persoonlijke verschijning van de verdachte en zonder uitdrukkelijke machtiging van de raadsman diens verweren aan te horen. Dan gaat het met name om kwesties van rechtsuitleg. Te voorzien valt dat de rechter zich ten gevolge van art. 279 Sv vaker dan voorheen genoopt voelt de behandeling aan te houden teneinde kennis te nemen van hetgeen de raadsman op grond van zijn eigen rechtskundige inzichten naar voren kan brengen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ed3cececea5e0390961eb8ef17a29d8ae775c208c3c164da3246cd71d811fcc6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ed3cececea5e0390961eb8ef17a29d8ae775c208c3c164da3246cd71d811fcc6, en de alinea staat in dat document op bytes 13576 tot 14900.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ed3cececea5e0390961eb8ef17a29d8ae775c208c3c164da3246cd71d811fcc6 | shasum -a 256