Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2003

Alinea 30 Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3086.

17. Voorts wordt betoogd dat 's Hogen Raads oordeel dat een strikte naleving van het in art. 279 Sv neergelegde machtigingsvereiste geboden is berust op een minder overtuigende overweging. Gedoeld wordt op de overweging dat niet alleen in de art. 279 en 331 Sv een machtiging wordt verlangd, maar ook in de art. 450, eerste lid, en 452, eerste lid, Sv betreffende het aanwenden van rechtsmiddelen en het indienen van schrifturen. De steller van de middelen meent dat de in de art. 450, eerste lid, en 452, eerste lid, Sv bedoelde handelingen zich wezenlijk onderscheiden van het voeren van de verdediging, aangezien het er bij het aanwenden van rechtsmiddelen om gaat dat door of namens de verdachte een nieuwe procesfase wordt geinitiëerd, terwijl door middel van de in art. 452 Sv bedoelde schrifturen afzonderlijke procedures worden ingeleid.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ed3cececea5e0390961eb8ef17a29d8ae775c208c3c164da3246cd71d811fcc6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ed3cececea5e0390961eb8ef17a29d8ae775c208c3c164da3246cd71d811fcc6, en de alinea staat in dat document op bytes 16756 tot 17616.