Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 2003

Alinea 56 Parket bij de Hoge Raad 1 april 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3121.

25. Verdachte heeft, zoals uit de bewijsmiddelen blijkt, gedurende een aantal jaren een jachthaven geëxploiteerd. Tegen de achtergrond van de kennis en ervaring die hij in die hoedanigheid moet hebben opgedaan, heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het baggerslib uit zijn jachthaven verontreinigd was. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat hij wist dat water dat vrijkwam bij het afspuiten van een jacht niet zonder meer in het water mocht laten lopen. Hij moet er dus wel van op de hoogte zijn geweest dat bij het afspuiten van dat jacht stoffen vrijkwamen die schadelijk waren voor het oppervlaktewater. In die wetenschap heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat die stoffen gedurende de periode waarin de jachten in een haven liggen in het water vrijkomen, in de haven bezinken en daarmee het in de haven aanwezige slib verontreinigen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/05e748ff09d0ba681bcd7a78d8d929291fde95e864a29a787f9892af4a20dd7e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 05e748ff09d0ba681bcd7a78d8d929291fde95e864a29a787f9892af4a20dd7e, en de alinea staat in dat document op bytes 20690 tot 21593.