Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 2003

Alinea 60 Parket bij de Hoge Raad 1 april 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3121.

29. Dat mocht het Hof doen. Volgens vaste rechtspraak is het immers aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene voor het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft, behoudens bijzondere gevallen, geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden (o.a. HR 17 sept. 2000, 02308/01, AE6118, rov. 4.3). Van een bijzonder geval in vorenbedoelde zin is reeds daarom geen sprake omdat uit het in de toelichting op het middel bedoelde rapport niet blijkt dat het specifiek betrekking heeft op onderzoek van het opgebaggerde slib.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/05e748ff09d0ba681bcd7a78d8d929291fde95e864a29a787f9892af4a20dd7e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 05e748ff09d0ba681bcd7a78d8d929291fde95e864a29a787f9892af4a20dd7e, en de alinea staat in dat document op bytes 23393 tot 24179.