Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2003

Alinea 40 Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3308.

21. Op grond van art. 26, derde lid, Uitleveringswet dient de rechter de bewering van de opgeëiste persoon dat hij onverwijld kan aantonen niet schuldig te zijn aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd, te onderzoeken. Ingevolge art. 28, tweede lid, Uitleveringswet dient de rechter de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren indien ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld. Het gaat hierbij om de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het materiële feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht, los van de daaraan naar het recht van de verzoekende en de aangezochte Staat te geven kwalificaties (vgl. HR 21 maart 2000, NJ 2000, 540 m.nt. Sch, rov. 3.2).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f9d3352dd73774a6fcafc78b2ae61c92d672582fe46ebd349cad0c2cb2b0b42b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f9d3352dd73774a6fcafc78b2ae61c92d672582fe46ebd349cad0c2cb2b0b42b, en de alinea staat in dat document op bytes 17461 tot 18195.