Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2003
Alinea 58 Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3308.
26. De Rechtbank heeft aldus de juiste maatstaf aangelegd (vgl. HR 15 dec. 1998, NJ 1999, 206). De vraag die resteert is of het feitelijk oordeel van de Rechtbank dat de opgeëiste persoon er niet in is geslaagd onverwijld zijn onschuld aan te tonen niet onbegrijpelijk is. Daarbij roep ik in herinnering dat het niet tot de taken van de uitleveringsrechter behoort om een diepgaand onderzoek, vergelijkbaar met dat in de hoofdzaak zelf in te stellen, maar kan het verweer slechts slagen, in het geval dat de opgeëiste persoon zijn onschuld onverwijld kan aantonen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f9d3352dd73774a6fcafc78b2ae61c92d672582fe46ebd349cad0c2cb2b0b42b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f9d3352dd73774a6fcafc78b2ae61c92d672582fe46ebd349cad0c2cb2b0b42b, en de alinea staat in dat document op bytes 24237 tot 24817.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f9d3352dd73774a6fcafc78b2ae61c92d672582fe46ebd349cad0c2cb2b0b42b | shasum -a 256