Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2003

Alinea 66 Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3308.

29. De steller van het middel gaat er aan voorbij dat daarmee nog niet de overige aanwijzingen die gaan in de richting van betrokkenheid van de opgeëiste persoon van onwaarde zijn geworden (de aangetroffen vingerafdrukken, de verklaring van [medeverdachte 1] en de verklaring van zijn ex-vriendin [medeverdachte 3]). Dit brengt mee, dat de opgeëiste persoon niet zonder diepgaand onderzoek, vergelijkbaar met dat in de hoofdzaak in te stellen, dus niet onverwijld zijn onschuld kan aantonen. Hiermee is de begrijpelijkheid van de verwerping van het onschuldverweer gegeven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f9d3352dd73774a6fcafc78b2ae61c92d672582fe46ebd349cad0c2cb2b0b42b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f9d3352dd73774a6fcafc78b2ae61c92d672582fe46ebd349cad0c2cb2b0b42b, en de alinea staat in dat document op bytes 26664 tot 27253.