Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2003

Alinea 96 Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3308.

41. Hetgeen de Rechtbank heeft overwogen ten aanzien van het onder a) aangeduide verweer moet kennelijk aldus worden verstaan dat de Rechtbank in de aangevoerde omstandigheden geen reden ziet er niet op te kunnen vertrouwen dat Spanje de bepalingen van het EVRM zal naleven. Dat brengt mee(4) dat de Rechtbank de aangevoerde omstandigheden niet van dien aard heeft geacht dat reeds thans sprake is van zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig aan de opgeëiste persoon ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, aan de nakoming van de uit het toepasselijke uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting in de weg staat. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde in de omstandigheden van het onderhavige geval geen nadere motivering.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f9d3352dd73774a6fcafc78b2ae61c92d672582fe46ebd349cad0c2cb2b0b42b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f9d3352dd73774a6fcafc78b2ae61c92d672582fe46ebd349cad0c2cb2b0b42b, en de alinea staat in dat document op bytes 38164 tot 39024.