Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2003

Alinea 97 Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3308.

42. Wat betreft de onder b) weergegeven klacht, in de toelichting aangeduid als tweede cassatieklacht, geldt dat de beantwoording van de vraag of er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering gevaar loopt in de verzoekende staat aan foltering te zullen worden onderworpen, is voorbehouden aan de Minister van Justitie. Slechts indien komt vast te staan dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd, is de verzochte uitlevering niet toelaatbaar en dient deze door de rechter ontoelaatbaar te worden verklaard (zie HR 15 okt. 1996, NJ 1997, 533, HR 17 dec. 1996, NJ 1997, 534, m.nt. Sch en HR 21 maart 2000, NJ 2000, 540 m.nt. Sch). Ik lees in het middel geen argumenten die aanleiding geven de Hoge Raad te adviseren op dit punt tot een wijziging van die vaste jurisprudentie te komen, met name niet omdat die argumenten zijn ontleend aan een concept-voorstel van wet, dat zou voorzien in uitvoering van art. 24 van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie d.d. 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen lidstaten, maar welk voorstel kennelijk nog niet is ingediend bij de Tweede Kamer.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f9d3352dd73774a6fcafc78b2ae61c92d672582fe46ebd349cad0c2cb2b0b42b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f9d3352dd73774a6fcafc78b2ae61c92d672582fe46ebd349cad0c2cb2b0b42b, en de alinea staat in dat document op bytes 39044 tot 40350.