Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2003

Alinea 67 Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3312.

12. Voorts wordt in de toelichting op het middel onder 4.3. de vraag opgeworpen of het door de Rechtbank vastgestelde tijdsverloop wel als een schending van de redelijke termijn kan worden aangemerkt. Daartoe wordt een beroep gedaan op de conclusie bij HR 26 maart 2002, griffienr 023979/01/U. In die conclusie is er evenwel op gewezen dat de verzoekende Staat in die zaak had medegedeeld dat tamelijk korte tijd na de aanvang van de vervolging een internationaal aanhoudingsbevel tegen de opgeëiste persoon was uitgevaardigd. In het algemeen zal de uitleveringsrechter, indien wordt betoogd dat de uitlevering wegens een buitensporig langdurige vervolging in de verzoekende Staat ontoelaatbaar verklaard dient te worden, in zijn oordeel mogen betrekken of de opgeëiste persoon zich aan zijn berechting aldaar heeft onttrokken, en of de vervolgende instanties pogingen in het werk hebben gesteld de opgeëiste persoon in het buitenland te achterhalen, vgl HR 20 november 2001, griffienr 01044/01 U, LJN AD4290 en de conclusie bij HR 19 november 2002, griffienr 01606/02 U, LJN AE9162. Voorts valt te wijzen op HR NJ 1991, 696, waarin het ging om een procedure die in de verzoekende Staat reeds tien jaar had genomen, terwijl de opgeëiste persoon, na op borgtocht te zijn vrijgelaten, naar Nederland was uitgeweken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/35da75be22168284d4aba7883e118dee961ba6685ac43e43be5ec283e88a83fd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 35da75be22168284d4aba7883e118dee961ba6685ac43e43be5ec283e88a83fd, en de alinea staat in dat document op bytes 22713 tot 24044.