Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2003
Alinea 70 Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3312.
15. In het algemeen zal uit de omstandigheid dat een opgeëiste persoon in de door de Nederlandse overheden aangehouden registers op één of meer adressen ingeschreven heeft gestaan niet zonder meer afgeleid kunnen worden dat de autoriteiten in de verzoekende Staat onvoldoende pogingen hebben ondernomen de opgeëiste persoon te achterhalen of hem te verwittigen van de (voortgang van) de tegen hem ingestelde vervolging. Die autoriteiten in de verzoekende Staat hebben immers niet rechtstreeks toegang tot de door de Nederlandse overheden aangehouden persoonsregisters, vgl de conclusie bij HR 19 november 2002, griffienr 01606/02 U, LJN AE9162. Nu de Rechtbank er kennelijk vanuit is gegaan dat de Belgische autoriteiten konden vermoeden dat de opgeëiste persoon in Nederland verbleef, acht ik het op zichzelf beschouwd niet onbegrijpelijk dat de Rechtbank heeft meegewogen dat er geen pogingen zijn ondernomen stukken betreffende de in België ingestelde vervolging aan de opgeëiste persoon te betekenen. Reeds geruime tijd verschaft art. 30 van het Benelux Uitleverings- en rechtshulpverdrag een basis voor betekenen van gerechtelijke mededelingen, zonodig door tussenkomst van de autoriteiten in de Lidstaat waarin de verdachte (vermoedelijk) verblijft.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/35da75be22168284d4aba7883e118dee961ba6685ac43e43be5ec283e88a83fd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 35da75be22168284d4aba7883e118dee961ba6685ac43e43be5ec283e88a83fd, en de alinea staat in dat document op bytes 25642 tot 26917.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/35da75be22168284d4aba7883e118dee961ba6685ac43e43be5ec283e88a83fd | shasum -a 256