Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 maart 2003

Alinea 62 Parket bij de Hoge Raad 18 maart 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 maart 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3361.

37. Nu kan het zo zijn dat het Hof gebruik heeft willen maken van het bepaalde in art. 23 lid 7 Sr dat in geval van een rechtspersoon oplegging van een geldboete van de naast hogere categorie toelaat indien de voor het feit bepaalde categorie geen passende bestraffing toelaat. Alleen de hoogte van de opgelegde straf biedt aanknopingspunt voor het vermoeden dat het Hof het uit een oogpunt van passende bestraffing noodzakelijk achtte van de door art. 23 lid 7 Sr geschapen mogelijkheid gebruik te maken. De onderhavige zaak ligt niet zo scherp ligt als in HR 30 november 1999, NJ 2000, 95, waarin de strafmotivering uitdrukte dat het Hof ten voordele van verdachte met bepaalde omstandigheden rekening had gehouden terwijl het Hof geen rekenschap aflegde van het bezigen van de mogelijkheid van art. 23 lid 7 Sr. Toch meen ik dat het Hof er ook in het onderhavige geval in zijn arrest rekenschap van had moeten afleggen dat het bij de bepaling van de hoogte van de straf gebruik maakte van het bepaalde in art. 23 lid 7 Sr. Het gaat tenslotte om een hogere straf dan de wetgever in beginsel aangewezen acht. Daarom dient de rechter in zijn uitspraak ervan te doen blijken dat hij zich bij het bepalen van de hoogte van de straf bewust is geweest van het overschrijden van het maximum van de geldboete, die de wetgever in beginsel als toereikende straf zag.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fc83b0b0e96602d9283ffd174b456218de7b37b8256db920f94ebb622ab2c30a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fc83b0b0e96602d9283ffd174b456218de7b37b8256db920f94ebb622ab2c30a, en de alinea staat in dat document op bytes 26853 tot 28224.