Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 februari 2003
Alinea 45 Parket bij de Hoge Raad 25 februari 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 februari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3368.
21. Met dit arrest heeft de Hoge Raad in feite uitdrukking gegeven aan de wijze waarop de positie van de raadsman sinds de inwerkingtreding van het huidige Wetboek van Strafvordering is geregeld. Sinds 1838 werd in het Wetboek van Strafvordering bepaald dat verdachte en zijn raadsman het recht hadden om het laatst te spreken(6). Daar werd met het huidige Wetboek verandering in gebracht in die zin, dat verdachte het recht werd gelaten het laatst te spreken en dat de raadsman de bevoegdheid daartoe ontleende aan art. 331 Sv. Hoewel de wetgever hiermee geen wijziging van de destijds bestaande regeling beoogde(7), is de positie van de raadsman ten opzichte van het recht op het laatste woord een andere geworden: de wet bepaalt thans niet dat hij het recht heeft als laatste het woord te voeren maar dat hij de bevoegdheid heeft van dat recht gebruik te maken. Daarmee heeft de wetgever het - anders dan onder de vorige wetboeken het geval was - aan het initiatief van de raadsman overgelaten of hij van dat recht gebruik wil maken.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/824258f33b480ae6e0c77345fd924c5e6a607d6ecb48defb3813d85e2949c1d4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 824258f33b480ae6e0c77345fd924c5e6a607d6ecb48defb3813d85e2949c1d4, en de alinea staat in dat document op bytes 13976 tot 15025.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/824258f33b480ae6e0c77345fd924c5e6a607d6ecb48defb3813d85e2949c1d4 | shasum -a 256