Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 februari 2003
Alinea 47 Parket bij de Hoge Raad 25 februari 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 februari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3368.
23. In het bepaalde in art. 311 lid 4 Sv ligt voor de verdachte het recht opgesloten zich te verdedigen tegen hetgeen de officier van justitie in tweede termijn naar voren brengt en het recht anderszins nog iets onder de aandacht van de rechter te brengen. Aan art. 311 lid 4 jo. 331 Sv kan de raadsman de bevoegdheid ontlenen ter verdediging het woord te voeren. Naar mijn mening heeft hij heeft echter niet het recht op het "allerlaatste woord". Dat aspect van het in art. 311 lid 4 vervatte recht van de verdachte het laatst het woord te voeren is te zeer gebonden aan de persoon van de verdachte dan dat het zich leent voor uitoefening door zijn raadsman. Het komt bij uitstek toe aan de verdachte die persoonlijk ter terechtzitting is verschenen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/824258f33b480ae6e0c77345fd924c5e6a607d6ecb48defb3813d85e2949c1d4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 824258f33b480ae6e0c77345fd924c5e6a607d6ecb48defb3813d85e2949c1d4, en de alinea staat in dat document op bytes 15937 tot 16701.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/824258f33b480ae6e0c77345fd924c5e6a607d6ecb48defb3813d85e2949c1d4 | shasum -a 256