Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 april 2003
Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 11 april 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3410.
11. In HR 4 november 1994, NJ 1996, 485 m.nt. WMK, werd in een geval dat enige verwantschap vertoont met het onderhavige, toepassing gegeven aan art. 4:1132 (oud) BW. In deze zaak ging het om een erflater die een boerderij met grond had verpacht aan zijn zoon, aan wie het land na zijn overlijden zou worden toegedeeld. Uit het feit dat deze verpachting kort voor het overlijden van de vader plaatsvond kon het Hof, naar het oordeel van de Hoge Raad, bij wege van vermoeden afleiden dat bij de vader de bedoeling aanwezig was tot schenking van het voordeel dat de zoon zou verkrijgen doordat de grond bij de scheiding en deling moet worden gewaardeerd in verpachte staat terwijl de zoon na de toedeling aan hem door het alsdan tenietgaan van de pachtovereenkomst de beschikking krijgt over grond vrij van pacht; de zoon diende vervolgens te bewijzen dat - zoals hij had gesteld - de vader met de verpachting had voldaan aan een natuurlijke verbintenis.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/27b649bde52e8e8610dacd2959ad4884bf7e7ac93ff3c5c054d424d6ee8b68f5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 27b649bde52e8e8610dacd2959ad4884bf7e7ac93ff3c5c054d424d6ee8b68f5, en de alinea staat in dat document op bytes 23524 tot 24489.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/27b649bde52e8e8610dacd2959ad4884bf7e7ac93ff3c5c054d424d6ee8b68f5 | shasum -a 256