Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 april 2003
Alinea 47 Parket bij de Hoge Raad 18 april 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3411.
8) Ik ben van mening dat dit middel reeds faalt, omdat het niet voldoet aan de daaraan krachtens art. 407 lid 2 Rv. te stellen eisen, en zulks om twee redenen. In de eerste plaats geeft het middel niet aan waarom 's hofs oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikend gemotiveerd is. In de tweede plaats baseert het middel zich mede op omstandigheden die niet door het hof als vaststaand zijn aangemerkt. De steller van het middel wenst deze omstandigheden kennelijk als hypothetische feitelijke grondslag in cassatie te bezigen (zie de memorie van repliek, onder 2), maar ik meen dat in het licht van HR 11 jan. 2002, NJ 2002, 82 van de eiser tot cassatie kan worden gevergd dat hij de vindplaatsen in de stukken van het geding in feitelijke instanties vermeldt, waar die omstandigheden zijn gesteld. Vgl. ook HR 16 mei 1997, NJ 2000, 1 m.nt. CJHB (r.o. 5.4).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/73ee5c3dc081f7af658558cf9247306114833b24bcd483db03badbbc3b9fa404. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 73ee5c3dc081f7af658558cf9247306114833b24bcd483db03badbbc3b9fa404, en de alinea staat in dat document op bytes 25900 tot 26795.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/73ee5c3dc081f7af658558cf9247306114833b24bcd483db03badbbc3b9fa404 | shasum -a 256