Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003
Alinea 31 Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3412.
14. Ik diep de kwestie niet verder uit en volsta ermee erop te wijzen dat in HR 9 november 2001, NJ 2002. 79 nt. PAS de invloed van opzettelijk of bewust roekeloos gedrag van de werknemer kennelijk werd geplaatst in het kader van de billijkheidscorrectie. De zaak betrof overigens een "gewoon" arbeidsongeval waarbij geen sprake was van een wettelijke uitsluiting van de toepassing van art. 7:658 BW. Art. 6:101 BW speelde in de zaak een rol omdat de werkneemster om haar moverende redenen ervoor had gekozen de werkgever op grond van art. 6:170 BW aansprakelijk te stellen. De Hoge Raad oordeelde dat wanneer er schade binnen dienstverband wordt geleden en het de werkgever is die in eerste instantie de arbeidsomstandigheden bepaalt, de in art. 6:101 BW bedoelde billijkheid eist om de schuld van de werknemer die niet bestaat in opzet of bewuste roekeloosheid, voor rekening van de werkgever te laten komen. De Hoge Raad sluit met deze overweging aan bij de (in de conclusie voor het arrest geciteerde) wetsgeschiedenis op art. 7:658 BW. Uit die wetsgeschiedenis blijkt voorts dat art. 7:658 BW kan worden gezien als een uitwerking van art. 6:101 BW. In [betrokkene 1 en 2] werd de kwestie van de invloed van opzettelijk of bewust roekeloos gedrag van de werknemer evenwel in het kader van de toerekening geplaatst. Het verschil in aanpak kan niet worden verklaard uit de omstandigheid dat art. 7:658 BW in het arrest van 9 november 2001 op grond van een keuze van de werkneemster niet rechtstreeks van toepassing was, terwijl in [betrokkene 1 en 2] de toepassing van art. 7:658 BW op grond van een wettelijke bepaling was uitgesloten. Beide arresten vinden immers hun ratio in het - door P.A. Stein in zijn NJ-noot onder het eerstgenoemde arrest geformuleerde - algemene rechtsbeginsel dat een werknemer, behoudens eigen opzet of roekeloosheid, niet betrokken kan worden in de schade die bij de uitvoering van zijn werkzaamheden voor hemzelf, voor de werkgever of voor een derde is ontstaan. Aan het verschil is aanpak is m.i. niet de conclusie te verbinden dat door de Hoge Raad een koerswijziging heeft ingezet; het berust kennelijk op de omstandigheid dat het cassatiemiddel in [betrokkene 1 en 2] het probleem enkel in het kader van de primaire verdelingsmaatstaf van art. 6:101 BW plaatste.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c52ba039c09ca5efc844094db3c38edeee40a972369c0f0972c38da110336b1d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c52ba039c09ca5efc844094db3c38edeee40a972369c0f0972c38da110336b1d, en de alinea staat in dat document op bytes 18601 tot 20914.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c52ba039c09ca5efc844094db3c38edeee40a972369c0f0972c38da110336b1d | shasum -a 256