Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 april 2003

Alinea 116 Parket bij de Hoge Raad 18 april 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3415.

Het hof heeft zich in rov. 7.2 bij dit oordeel van de rechtbank aangesloten. Van het gestelde motiveringsgebrek is dan ook geen sprake. Voor zover met de verwijzing naar art. 8a en art. 8c van de Pensioen- en Spaarfondswet wordt bedoeld te klagen dat 's hofs oordeel met deze bepalingen in strijd zou zijn, valt zonder nadere toelichting op de klacht niet in te zien waarom hier sprake zou zijn van strijdigheid. In de redenering van rechtbank en hof blijft de werkgever ([A] BV) immers degene die het pensioen aan de man heeft toegezegd en die de pensioengrondslag al dan niet aanpast aan de salarisverhogingen. Rechtbank en hof hebben slechts beslist dat de man het recht van de vrouw op pensioenverevening niet mag frustreren door in zijn hoedanigheid van directeur-grootaandeelhouder [A] BV een beroep te laten doen op het voorbehoud in de pensioenbrief indien daartoe naar objectieve maatstaven onvoldoende aanleiding bestaat. Dat oordeel strookt alleszins met het doel van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. De klacht faalt daarom.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5d862461d6e4323952d2d708ea9e83405c2c2469769babfc95a19298f38c2732. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5d862461d6e4323952d2d708ea9e83405c2c2469769babfc95a19298f38c2732, en de alinea staat in dat document op bytes 52280 tot 53344.