Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 februari 2003
Alinea 30 Parket bij de Hoge Raad 21 februari 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 februari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3450.
2.7. In de rechtspraak van de Hoge Raad is een verwant vraagstuk aan de orde geweest. Art. 16 (oud) Wet Bopz vereiste voor een voortgezette machtiging een verklaring van de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis waar de betrokkene is opgenomen. In HR 1 juli 1994, NJ 1994, 719 (m.nt. JdB onder NJ 1994, 723) werd kennelijk geoordeeld dat deze bepaling(8) niet meebrengt dat de geneesheer-directeur persoonlijk de betrokkene moet onderzoeken: wanneer de geneesheer-directeur door zijn mede-ondertekening van de door een andere arts opgestelde verklaring blijk heeft gegeven van zijn instemming met en verantwoordelijkheid voor de inhoud van de verklaring, is dit volgens de Hoge Raad voldoende. De ratio van deze regel blijkt uit HR 1 juli 1994, NJ 1994, 720, in verbinding met de parlementaire geschiedenis: de eindbeoordeling is bij de geneesheer-directeur gelegd en niet bij de behandelend arts omdat de eerstgenoemde de uiteindelijke verantwoordelijkheid draagt voor de situatie in het ziekenhuis(9). In HR 3 oktober 1997, NJ 1998, 33, werd overwogen dat, indien de verklaring door de geneesheer-directeur is ondertekend, ervan moet worden uitgegaan dat hij zich ervan heeft overtuigd dat de inhoud berust op deugdelijk onderzoek door een hem bekende, aan het ziekenhuis verbonden arts.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ed711aab6a4c338f776c791cd0217cbe956686721e228f09fe8644f4f6ce996a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ed711aab6a4c338f776c791cd0217cbe956686721e228f09fe8644f4f6ce996a, en de alinea staat in dat document op bytes 16357 tot 17675.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ed711aab6a4c338f776c791cd0217cbe956686721e228f09fe8644f4f6ce996a | shasum -a 256