Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 april 2003
Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 15 april 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3818.
De eis van de steller van het middel dat de Rechtbank eigenhandig de toereikendheid van het voorhanden materiaal zou moeten beoordelen lijkt mij overtrokken in die zin dat de Rechtbank in een raadkamerprocedure als de onderhavige niet geroepen is om vast te stellen welke feiten op grond van beschikbaar bewijsmateriaal vaststaan, maar of voortduring van het beslag het belang van de waarheidsvinding kan dienen. De raadkamer verricht zélf geen opsporing en heeft niet de bevoegdheid in de beklagprocedure te beslissen welke feiten wél en welke niet moeten worden onderzocht. Evenmin is de raadkamer in de positie om te beslissen of een bepaald delict al voldoende is onderzocht en of er al voldoende materiaal vergaard is om de verdachte met kans op succes te vervolgen. In de bijzondere omstandigheden die het geval kenmerken waarin de inbeslagneming journalistiek materiaal betreft zal de raadkamer tot afwegingen moeten komen waarbij het recht van vrije nieuwsgaring een complicerende rol speelt, maar, zoals gezegd, moet deze rol niet worden overschat nu dat recht slechts zeer indirect door het overheidsoptreden wordt geraakt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/56ea1f7657fb7b39f4979de6e2f0202329e65832961090d8c55d98136cc6651e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 56ea1f7657fb7b39f4979de6e2f0202329e65832961090d8c55d98136cc6651e, en de alinea staat in dat document op bytes 18897 tot 20045.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/56ea1f7657fb7b39f4979de6e2f0202329e65832961090d8c55d98136cc6651e | shasum -a 256