Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 mei 2003

Alinea 19 Parket bij de Hoge Raad 13 mei 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF4255.

De opsporingsambtenaar die gebruik maakt van de in het tweede lid van art. 96 Sv gegeven bevoegdheid tot 'bevriezing' van de situatie in een op grond van art. 97 Sv te doorzoeken woning, in afwachting van de komst van de (hulp)officier van justitie, behoeft voor het aan de doorzoeking voorafgaande binnentreden in die woning zonder toestemming van de bewoner niet te beschikken over een machtiging als bedoeld in art. 2 Algemene wet op het binnentreden. De in het vierde lid van art. 97 Sv opgenomen bepaling dat de machtiging van de rechter-commissaris tot het doorzoeken van een woning in de plaats treedt van de in art. 2 Algemene wet op het binnentreden bedoelde machtiging strekt zich uit tot het binnentreden, zonder toestemming van de bewoner, in afwachting van het optreden van de (hulp)officier van justitie als bedoeld in art. 96, tweede lid, Sv.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a7a62401841b4abcc35eea598b00b247365b0883a1b61920e3ae90f1c724b35d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a7a62401841b4abcc35eea598b00b247365b0883a1b61920e3ae90f1c724b35d, en de alinea staat in dat document op bytes 8979 tot 9849.