Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 april 2003

Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 15 april 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF4265.

18. De grief berust op een onjuiste lezing van de vordering. De vordering berust op het verwijt dat verzoeker baten heeft onttrokken aan de boedel van de failliet door, met gebruikmaking van een valse factuur, een betaling door een debiteur van [A] B.V. ([B]) niet ten gunste van de boedel van de inmiddels failliete B.V. en haar schuldeisers te laten komen. Dat levert, zoals onder 2 is bewezenverklaard, het strafbare feit van bedrieglijke bankbreuk op. 's Hofs oordeel dat het gevorderde bedrag als rechtstreekse door dat feit geleden schade kan worden aangemerkt, getuigt naar mijn inzicht niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c8be6a051e973a3ef722f5c6a9dd2ab181c0fdf0d67f004ae257c8071ee9ca2d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c8be6a051e973a3ef722f5c6a9dd2ab181c0fdf0d67f004ae257c8071ee9ca2d, en de alinea staat in dat document op bytes 20561 tot 21236.