Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 maart 2003

Alinea 29 Parket bij de Hoge Raad 18 maart 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 maart 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF4321.

10. Uit het hierboven onder 6 vermelde volgt dat niet beslissend is of het onderzoek door het detectivebureau een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrachten (kennelijk wordt hier gedoeld op artikel 8 EVRM) en dus onrechtmatig waren, maar of een en ander een zodanige schending oplevert van beginselen van een behoorlijke procesorde of van de rechten van de verdediging, dat bewijsuitsluiting moet volgen. Het zou hier dus niet moeten gaan om de enkele schending van die rechten - want dan was het constateren van de onrechtmatigheid van het handelen voldoende geweest - maar om een 'gekwalificeerde' schending. Het moet gaan om een aperte of, in de woorden van Buruma onder het aangehaalde arrest, een flagrante schending van die rechten (cf. opnieuw HR 14 januari 2003).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ef7388f78bb5232d603343e119e469328750bf1dcb1898163a1a30657b0924c5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ef7388f78bb5232d603343e119e469328750bf1dcb1898163a1a30657b0924c5, en de alinea staat in dat document op bytes 12078 tot 12870.