Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003

Alinea 104 Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF4606.

4.5.2. De omstandigheid dat de provincie door haar onrechtmatig gedrag aan [eiser] de mogelijkheid heeft ontnomen een eigen familiebedrijf op te bouwen op het door de provincie op grond van de tweede overeenkomst te leveren bouwperceel en daarin zijn levensgeluk te vinden, brengt weliswaar mee dat [eiser] zijn arbeidzaam leven niet heeft kunnen inrichten op een wijze die hij zich bij het sluiten van de tweede overeenkomst had voorgesteld, maar dat gegeven vormt op zichzelf onvoldoende grond voor de conclusie dat [eiser] daardoor in zijn persoon is aangetast. Het hof neemt zonder meer aan dat [eiser] hierdoor levensvreugde heeft gederfd, doch ook het derven van levensvreugde levert in zijn algemeenheid onvoldoende grond op om te concluderen tot aantasting van de persoon."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/baac8e7fe155bb09c0c4d850da6e2e18c41214bfed2606564bcb3a6c76523e0f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt baac8e7fe155bb09c0c4d850da6e2e18c41214bfed2606564bcb3a6c76523e0f, en de alinea staat in dat document op bytes 40291 tot 41085.