Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003

Alinea 119 Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF4606.

2.43 Lindenbergh(37) leidt uit deze laatste rechtsoverweging af dat de Hoge Raad niet meer volledig aan de feitenrechter wil overlaten of sprake is van geestelijk letsel van dien aard dat vergoeding van immateriële schade op haar plaats is, maar inmiddels bereid lijkt te zijn enige richting te geven ten aanzien van het antwoord op de vraag onder welke omstandigheden van dergelijk letsel sprake is. Doordat de Hoge Raad aanknoopt bij de door het hof vastgestelde feiten en daarover overweegt dat zij in beginsel toewijzing van de schadevordering kunnen dragen, heeft de Hoge Raad volgens Lindenbergh(38) hier aangegeven dat onder de gestelde omstandigheden - een beoordeling "nauw met de feiten verweven" - kan worden gesproken van aantasting van de persoon die recht geeft op smartengeld. Het feit dat de Hoge Raad "dat oordeel in dit geval naar zich toetrekt", zou in zijn optiek kunnen worden opgevat als een "signaal naar de feitenrechter, dat de Hoge Raad bereid is tot een royalere toetsing dan voorheen en dat de vergoeding van immateriële schade wegens 'geestelijk letsel' niet al te zeer behoeft te worden beperkt"(39).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/baac8e7fe155bb09c0c4d850da6e2e18c41214bfed2606564bcb3a6c76523e0f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt baac8e7fe155bb09c0c4d850da6e2e18c41214bfed2606564bcb3a6c76523e0f, en de alinea staat in dat document op bytes 48467 tot 49612.