Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003

Alinea 90 Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF4606.

2.29 Zoals in rechtsoverweging 4.2 van het bestreden arrest wordt weergegeven, had de rechtbank bij de afwijzing van die vordering (rov. 5.1 van het vonnis van 19 december 1997) vooropgesteld dat smartengeld kan worden toegekend bij (ernstige) aantasting van de persoon. Naar haar oordeel kan men echter het feit dat de Provincie heeft geweigerd aan [eiser] het bouwperceel te leveren waarop hij op grond van de tweede overeenkomst aanspraak kon maken, moeilijk zien als het aantasten van zijn persoon. Op grond van de vaststelling dat het geschil tussen partijen is uitgemond in een sedert 1978/1979 tussen hen voortslepende affaire, waarin de Provincie zich vreemde manoevres heeft veroorloofd en ook [eiser] zelf een groot aandeel heeft gehad door onvoldoende voortvarend tegenmaatregelen te nemen, kwam de rechtbank tot de slotsom dat van "een overwegend aan de provincie te wijten aantasting van de persoon van [eiser]" die de toekenning van smartengeld zou rechtvaardigen, geen sprake is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/baac8e7fe155bb09c0c4d850da6e2e18c41214bfed2606564bcb3a6c76523e0f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt baac8e7fe155bb09c0c4d850da6e2e18c41214bfed2606564bcb3a6c76523e0f, en de alinea staat in dat document op bytes 34957 tot 35964.