Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003

Alinea 27 Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5087.

9. Met een 'ronde zaak' doelt de steller van het middel kennelijk op een zaak waarin reeds voldoende wettige bewijsmiddelen voorhanden zijn waarin de rechter de overtuiging kan vinden dat het tenlastegelegde is begaan. In dat geval doet zich evenwel niet de noodzaak voor bij de waardering van de bewijsmiddelen zelfstandige betekenis toe te kennen aan het uitblijven van een aannemelijke verklaring voor een belastende omstandigheid. De zo-even genoemde uitspraken van het EHRM en de Hoge Raad hadden betrekking op situaties waarin die noodzaak zich klaarblijkelijk wel had voorgedaan. Aangenomen moet derhalve worden dat het in die zaken op zijn minst de vraag was of er niet alleen wettig, maar ook overtuigend bewijs zou zijn gevonden indien geen zelfstandige betekenis was toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte geen plausibele verklaring had gegeven voor hetgeen hem leek te belasten. Tegen die achtergrond is de rechter dat toegestaan Daarom legt de steller van het middel deze uitspraken naar mijn inzicht verkeerd uit.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0197d022711e311a0247fb78174b3cd22251dab89d2fe9fc06be8ca2d4c9db54. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0197d022711e311a0247fb78174b3cd22251dab89d2fe9fc06be8ca2d4c9db54, en de alinea staat in dat document op bytes 14747 tot 15796.