Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003

Alinea 28 Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5087.

10. In deze uitspraken is, dunkt mij, geen verdergaande eis gesteld dan de aanwezigheid van een (uit een wettig bewijsmiddel blijkende) omstandigheid die, op zichzelf of in samenhang met andere bewijsmiddelen, aan het bewijs kan bijdragen, terwijl deze belastende omstandigheid van dien aard is dat in redelijkheid kan worden aangenomen dat de verdachte in staat is die aanwijzing te ontzenuwen. In die situatie is het niet in strijd met de praesumptio innocentiae om aan het uitblijven van een aannemelijke verklaring aanvullende betekenis voor het bewijs toe te kennen, met dien verstande dat de omstandigheid die als belastend kan worden beschouwd ook in die zin wordt uitgelegd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0197d022711e311a0247fb78174b3cd22251dab89d2fe9fc06be8ca2d4c9db54. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0197d022711e311a0247fb78174b3cd22251dab89d2fe9fc06be8ca2d4c9db54, en de alinea staat in dat document op bytes 15816 tot 16512.