Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003

Alinea 29 Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5087.

11. Met betrekking tot de strafbaarstelling die ten grondslag ligt aan de onderhavige strafzaak merk ik in dit verband nog het volgende op. Het ligt wel buitengewoon voor de hand dat juist deze strafbaarstelling de strafrechter, indien hij de overtuiging bereikt dat er met voorwetenschap is gehandeld, noopt tot een bewijsconstructie die deels bestaat uit feiten en omstandigheden die niet rechtstreeks doch slechts door interpretatie kunnen uitwijzen dat aan alle bestanddelen van de delictsomschrijving is voldaan. Uit de bewijsmiddelen moet immers kunnen blijken dat de verdachte bij het bewerkstellingen van de effectentransactie bekend was met een koersgevoelige bijzonderheid betreffende het fonds, en dat hij zich ook bewust is geweest van de omstandigheid dat die bijzonderheid door schending van een geheimhoudingsplicht buiten de kring van geheimhoudingsplichtigen was gekomen. Overigens heeft de wetgever deze bewijslast inmiddels verlicht. Ingevolge de Wet van 26 maart 1998, Stb 1998, 320, in werking getreden op 1 januari 1999, behoeft de wetenschap van de verdachte zich niet meer uit te strekken tot het schenden van de geheimhoudingsplicht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0197d022711e311a0247fb78174b3cd22251dab89d2fe9fc06be8ca2d4c9db54. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0197d022711e311a0247fb78174b3cd22251dab89d2fe9fc06be8ca2d4c9db54, en de alinea staat in dat document op bytes 16532 tot 17703.