Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003
Alinea 30 Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5087.
12. Het bestaan van die wetenschap ten tijde van het bewerkstelligen van de effectentransactie kan, uiteraard, in rechtstreekse zin alleen worden aangetoond met een bekennende verklaring van de verdachte, of met belastende verklaringen van degenen die hebben gezien en gehoord dat de bijzonderheden aan de verdachte zijn medegedeeld. Bij gebreke van zulke verklaringen - en er moet rekening mee gehouden worden dat het onderzoek naar gebruik van voorwetenschap in de effectenhandel niet al te vaak bekentenissen of dergelijke getuigenverklaringen zal opleveren - zal de destijds bij de verdachte aanwezige wetenschap slechts op indirecte wijze uit de omstandigheden zijn af te leiden. Daar vloeit onmiddellijk uit voort dat de rechter spoedig van de verdachte zal vergen dat aannemelijk wordt gemaakt waarom een omstandigheid die op het oog wijst op bezit van voorwetenschap niet als zodanig uitgelegd mag worden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0197d022711e311a0247fb78174b3cd22251dab89d2fe9fc06be8ca2d4c9db54. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0197d022711e311a0247fb78174b3cd22251dab89d2fe9fc06be8ca2d4c9db54, en de alinea staat in dat document op bytes 17723 tot 18649.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0197d022711e311a0247fb78174b3cd22251dab89d2fe9fc06be8ca2d4c9db54 | shasum -a 256