Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003
Alinea 48 Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5087.
26. Feiten en omstandigheden die in nadere bewijsoverwegingen worden aangehaald zullen tot de bewijsmiddelen herleid moeten kunnen worden voor zover die feiten en omstandigheden kennelijk rechtstreeks redengevend voor het bewijs zijn geacht. Feiten en omstandigheden die de rechter noemt teneinde duidelijk te maken hoe hij tot een bepaalde waardering van de gebezigde bewijsmiddelen is gekomen, maar die op zichzelf beschouwd niet rechtstreeks redengevend voor de bewezenverklaring zijn, behoeven niet in de bewijsmiddelen opgenomen te worden. Ten aanzien van zulke feiten en omstandigheden geldt slechts de eis dat uit de stukken van het geding moet kunnen worden opgemaakt dat zij bij de behandeling ter terechtzitting ter sprake zijn gekomen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0197d022711e311a0247fb78174b3cd22251dab89d2fe9fc06be8ca2d4c9db54. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0197d022711e311a0247fb78174b3cd22251dab89d2fe9fc06be8ca2d4c9db54, en de alinea staat in dat document op bytes 26439 tot 27199.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0197d022711e311a0247fb78174b3cd22251dab89d2fe9fc06be8ca2d4c9db54 | shasum -a 256