Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 april 2003
Alinea 27 Parket bij de Hoge Raad 25 april 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5102.
11. De vraag of een grief kan gelden als behoorlijk in het geding naar voren gebracht, heeft twee kanten. De ene kant betreft de kwaliteit van de grief. Het gaat hier om de vraag of de grief voldoende bepaald is. Een te vage of te algemeen geformuleerde grief kan niet in behandeling worden genomen, omdat de tegenpartij dan niet weet waartegen hij zich heeft te verweren. De andere kant betreft het stadium waarin de grief naar voren dient te worden gebracht. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad brengt de eis dat het beroepschrift de gronden van het appel moet inhouden mee dat op na het verstrijken van de appeltermijn - bij aanvullend verzoekschrift of bij de mondelinge behandeling - aangevoerde grieven, behoudens bijzondere omstandigheden, niet mag worden gelet. Zie nader over dit een en ander H.E. Ras, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2e dr. bew. door A. Hammerstein, 2001, nr. 25 e.v. e.v. en de aldaar vermelde rechtspraakgegevens.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dc5924298508ffc9c789b41c4a32af7018ac7b8ef474b2ef9735d505fdf024f5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dc5924298508ffc9c789b41c4a32af7018ac7b8ef474b2ef9735d505fdf024f5, en de alinea staat in dat document op bytes 11295 tot 12295.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/dc5924298508ffc9c789b41c4a32af7018ac7b8ef474b2ef9735d505fdf024f5 | shasum -a 256